Een digitaal goed produceer je maar één keer

Binnen de klassieke economie en de tijdsperiode van de industrialisatie beschreef Marx de relatie tussen enerzijds de kapitalist en anderzijds de arbeider. De kapitalist zet kapitaalsgoederen waaronder arbeid in om goederen te produceren. Hij zet hiervoor gebouwen en machines en arbeidskracht in. Deze arbeidskracht koopt hij tegen haar ruilwaarde. De arbeidskracht heeft ook een gebruikswaarde die normaal gezien hoger ligt dan haar ruilwaarde. Het verschil tussen deze ruilwaarde en de gebruikswaarde eigent de kapitalist zich toe.

Binnen de theorie van de klassieke economie heeft de kapitalist het recht om het verschil tussen de gebruikwaarde en de ruilwaarde zich toe te eigenen. Hij heeft dit recht omdat hij het risico heeft genomen te ondernemen en zo krijgt hij een compensatie voor deze genomen risico’s. De ondernemerkapitalist wil dan zijn winst aanwenden om productiever te opereren door middel van innovatie technologie. Wanneer hij dit als enige toepast hoopt hij zo een surpluswinst te creëren.

De productiviteitswinst zorgt ervoor dat het aanbod vergroot waardoor er een negatieve druk ontstaat op de prijzen. Dit zorgt ervoor dat de concurrenten ook deze nieuwe innovatieve technologieën zullen aanwenden om zo concurrentieel te kunnen opereren. De winst wordt door het grotere aanbod afgeroomd door de algemene negatieve druk op de prijzen en het aanbodsoverschot en het daaruitvolgende consumentensurplus.

Binnen de klassieke economie kon er steeds maar op twee manieren meer winst gemaakt worden. Ofwel diende je meer te produceren aan een lagere productiekost. Ofwel innoveerde je en kon je een nieuw product aanbieden waardoor je een concurrentieel voordeel had. Of je nu een product had waar je veel of weinig voor kon aanrekenen, je winst steeg naargelang je meer fysieke en tastbare producten verkocht.

Bij het produceren van een digitaal goed zoals software zien we een groot verschil ten opzichte van het klassieke produceren binnen de klassieke economie.

De software moet slechts één keer geproduceerd worden. Daarna kan deze software via websites aan een oneindig groot aantal vragers aangeboden worden. Een extra softwarepakket zorgt niet voor een veel grotere meerkost. Vanaf een bepaald aantal vragers naar het softwarepakket wordt de marginale kost zelfs 0; de zero marginal cost. Zo bedragen de vaste kosten bijna evenveel als het totaal aantal kosten. De variabele kosten die binnen de klassieke economie afhangen van het aantal geproduceerde goederen zijn quasi 0 aangezien het softwarepakket slechts éénmaal geschreven, geproduceerd en gelanceerd moet worden.

Daarnaast kan éénieneder met een PC en een internetverbinding overal ter wereld meewerken aan het schrijven van een softwareprogramma.  Er dienen zich dus geen grote investeringen gemaakt te worden door de ondernemer om zijn personeel te laten opereren.

De lage marginale kost zorgt ervoor dat er veel budget over is voor andere investeringen. De voornaamste investering die softwarebedrijven dan maken zijn vooral gericht op marketing. Doordat ‘de volledige wereld’ met elkaar verbonden is via het internet, zijn de potentiële klanten van het softwarepakket quasi de volledige wereldpopulatie. De verkoopprijs van het product doet er niet veel toe aangezien de marginale productiekost quasi nul is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *